zaterdag 28 november 2009

BOVEN DE PIJN(BOOM)GRENS, (DEEL V)

John keek wantrouwig naar boven, naar de grijs bewolkte hemel terwijl ik wantrouwig naar beneden keek.
Het hele stuk dat ik, amechtig ademend en meer kruipend dan klimmend naar boven had afgelegd, moesten we ook terug naar beneden.
Het leek logisch maar allesbehalve makkelijk.

De druivensuiker was op, de korte morele boost van het bereiken van de top weggeebd.
Van bij de eerste stappen was al duidelijk dat de afdaling op zijn minst even zwaar zou zijn als de beklimming.
De rotsen waren spekglad van de regen en de sneeuw en John besliste gelijk er een flink tempo op na te houden.
Gedurende uren zag ik zijn schim in de verte. Hij legde er op die manier flink de zweep op doordat ik bang was om hem kwijt te spelen maar tegelijk was ie professioneel genoeg om altijd binnen mijn gezichtsveld te blijven.

Uur na uur verstreek terwijl ik de steile hellingen afzwoegde en plots hadden we Rhino Point in het vizier.
Op de top zagen we miniatuurmensjes.
Achteraf bleek dat Jan en Annemarie - ongerust door onze lange afwezigheid - nog maar eens de berg beklommen hadden op zoek naar ons.
Wij zagen hen, maar jammer genoeg merkten onze vrienden ons niet op.
Ze keerden uiteindelijk onverrichterzake terug terwijl ik op mijn adem trapte en de hele onderneming naar de hel wenste.

Bij het oversteken van een klein beekje ging het finaal mis. Ik misstapte me op een totaal onbelangrijke kei en smakte hard tegen de grond.
John rende terug en zag de schrammen op mijn hoofd.
Dieper kon mijn moraal niet meer zakken en mijn gids besloot wat foto's te nemen om me wat rust te gunnen en om me wat op te vrolijken.
Hij hees me overeind en liet me poseren met de enorme askegel van de uitgedoofde vulkaan achter me.
Zo zwak stond ik ondertussen op mijn benen dat John me enkel met een snoeksprong overeind kon houden op het smalle richeltje waar we opstonden toen ik langzaam achteruit wankelde.

We wandelden langzaam verder, beklommen nog met de laatste krachten de steile hellingen naar Rhino Point en begonnen toen aan de eerder makkelijke afdalingen naar Saddle Hut.

Al spoedig ontmoetten we Daniel en Shukuru, twee dragers die eens kwamen kijken of we de trip wel overleefd hadden.
Iets lager kwam Good Luck ons tegemoet; hij had zijn MP3 speler met Bongo Flava - afrikaanse rap - meegebracht om me op te monteren.
Nog iets verder wachtten Jan en Annemarie ons op, we hadden zowaar een uitgebreid ontvangstcomite.

Uiteindelijk zwijmelde ik als een dronkenman na dertien uur en een half het kamp terug in. De hele tocht had ik gedroomd over grote koppen dampende soep en enorme borden voedsel maar nadat Good Luck me uit mijn schoenen geholpen had en ik naar de refter hinkte, kreeg ik nauwelijks een hap door mijn keel.
Totaal leeg kroop ik in bed, sliep tien uur en op dag vier vatten we de terugtocht aan naar de duizend meter lager gelegen Miriakamba Hut.
Vandaaruit reed een jeep van het park ons dwars doorheen een gigantische holle vijgenboom terug naar het startpunt en via Arusha National Park kwamen we in Arusha.

Onderweg maakten we al uit wie eerst zou douchen.
Eenmaal in Kwa Idd bleek de elektriciteit nog maar eens uitgevallen.
Douchen zou voor later zijn....

zondag 22 november 2009

BOVEN DE PIJN(BOOM)GRENS, (DEEL IV)





BOVEN DE PIJN(BOOM)GRENS (DEEL III)

De tweede nacht op onze trip zou de nacht van de waarheid worden.
Om middernacht zouden we uit bed gehaald worden voor een kop koffie en een stukje brood, om 1 uur zouden we vertrekken met het plan de top te bereiken om een uur of zes in de ochtend zodat we de zon konden zien opgaan naast de kilimanjaro.
Het bleek een plan met vele parameters zijn van wie er enkele diep in het negatief stonden.

Het regende, het hagelde en het waaide en het was duidelijk dat Meru zich niet zomaar gewonnen zou geven.
We gingen vroeg naar bed maar de klimmers die de andere kamertjes bevolkten, dachten anders over ons idee.
Er werd druk nagepraat in de gang, met deuren gegooid en een zwitserse dame gilde iedereen uit bed toen ze een muis ontdekte in haar kamertje.
Om twaalf uur kwam John zeggen dat we niet konden vertrekken wegens de hevige regen.
Om 1 uur werden we gewekt omdat de Zwitsers dezelfde informatie kregen.
Om twee uur vertrok een jong stelletje toch.
Om vier uur werden we uit bed gehaald, tijdens de koffie begon het weer te gieten en doken we opnieuw in de slaapzak.
Om zes uur tenslotte - na een nacht met bijzonder weinig slaap - zetten we onze aanval in.

Niets droogde in deze klamme omstandheden dus we stapten weg van saddle hut met schoenen die zompten en jassen die zwaar waren van de voorbije regenbuien.
Jan had er al overduidelijk geen zin in en besliste om ieders moraal nog wat naar beneden te halen door een eindeloos herhaalde mantra.
"Als het nu niet zou regenen, dan zou dit leuk zijn...", weerklonk ongeveer elke minuut diep vanuit een kletsnatte regenjas.

We zwoegden naar Rhino Point (3800 m) in de regen en op een smal richeltje bewees Annemarie dat ze geen natuurtalent was wat klimmen betreft.
Een half uurtje verder moesten we zijdelings over een steile helling waar je schoenen enkel grip vonden in smalle uitsteekseltjes en net daar besliste haar geest dat het welletjes was geweest.
De zelfbehoud-modus sprong in veiligheid en haar voeten wilden voor - noch achteruit.
We stonden hopeloos klem, Jan mummelde ontevreden in zijn kap; ik vond die hele berg maar niets en Annemarie stond hulpeloos naast de gids tegen de helling aangeplakt.
Mijn lieve vrienden beslisten terug naar het kamp te gaan.
In deze omstandigheden was absoluut geen voldoening in de trip naar de top te vinden.

Aangezien ik wel eens wilde zien hoe het gesteld was met mijn wilskracht, verkoos ik in een moment van zinsverbijstering om verder te gaan met John terwijl Good Luck zich over mijn bezoek ontfermde.

John stapte traag voorop terwijl ik uren aan een stuk enkel het grijs van zijn poncho en het beige van zijn broek zag. Opkijken had geen zin, het regende, het hagelde, het sneeuwde en rondom ons zagen we enkel het grijs van de dichte mist.
De kilimanjaro zou zich vandaag alvast niet laten zien.

Om een uur of elf begon de honger te knagen en dus vroeg ik John om mijn lunchpakket.
Mijn gids bekeek me ietwat ongerust.
Op een wandelingetje als dit nam ie enkel wat water mee; na een uurtje of acht waren we toch terug, net op tijd voor een late lunch in saddle hut.
We stapten verder terwijl ik me afvroeg hoe dit verder moest.
Een halfuur later gaf mijn lichaam het antwoord.
Benzine op, metertje in het rood en uitbollen kreeg ik doorgeseind.

Op een pakje druivensuiker dat ik in laatste instantie nog van mijn vrienden gekregen had, sukkelde ik verder de steile hellingen op. 
Ik vervloekte John en zijn onverantwoord gedrag, ik vervloekte de berg en ik vervloekte mezelf.
Maar net die woede verbood me terug te keren.
Ik moest en zou de top halen...

Na elke paar stappen laste mijn lichaam een rustpauze in, zeer tegen de zin van John die nog altijd voor me - handen in de broekzakken en vrolijk fluitend - naar boven danste.

Uiteindelijk haalde we de top, Socialist Peak op 4566 meter, om half twee in de middag; terwijl John erop gerekend had om een half uurtje later terug in saddle hut te zijn.
 We haspelden de verplichte ceremonie af; elkaar gelukwensen, foto's nemen, namen in het boek schrijven en vatten de terugtocht aan.
De marteling was nog lang niet voorbij....





zaterdag 21 november 2009

BOVEN DE PIJN(BOOM)GRENS (DEEL II)

Miriakamba hut met het te temmen monster op de achtergrond....


BOVEN DE PIJN(BOOM)GRENS

Het is lang stil geweest op deze blog.
Er gebeurde gewoon te weinig in mijn saaie leven om mijn lezers te vermoeien met nutteloze berichten.
Het is lang stil geweest in mijn huisje in Kwa Idd city.
Wat daar de reden van was, laat ik in het midden maar tot mijn grote vreugde is daar nu verandering in gekomen.
In het gezelschap van donkere chocolade, single malt whiskies en belgische streekbieren kwamen Jan en Annemarie vorige week vrijdag aan met de KLM vlucht.
We spendeerden een rustig weekend in Arusha en op maandag kwam John - sinds jaar en dag de vaste gids voor bergtochten van mijn bezoekers - ons ophalen om Mount Meru te bedwingen.
Het zou het begin van een helletocht zijn.

We reden door Arusha National Park, zagen nog wat giraffes en zebra's en toen werden we ingeschreven in dikke officiele boeken terwijl John de bagage verdeelde om zo weinig mogelijk te moeten investeren in dragers die alle benodigdheden - van gasfles tot ketchup en twintig liter drinkwater - de berg opzeulden.
Later op de steile helling keken we met ontzag en medelijden hoe onze vijf dragers - onder hen 1 jong meisje - letterlijk de berg opliepen met twintig kilo in evenwicht op hun hoofd.
We kregen Good Luck (!) toegewezen, de ranger die ons met zijn geweer zou beschermen tegen onverwachte aanvallen van humeurige buffels of olifanten.

In een kleine colonne stapten we traag tegen de eerste hellingen op.
Uren aan een stuk zag ik de schoenen en de kuiten van mijn voorganger terwijl ik mijn bezoek stilletjes vervloekte omdat ze me meegesleurd  hadden in dit onzalige avontuur.

Annemarie kreeg een inzinking en daarna was ik aan de beurt maar uiteindelijk haalden we Miriakamba hut op 2500 meter hoogte, zij het dat ik enigszins achterop was geraakt en daardoor in de gietende regen en volledig doorweekt aanspoelde.
We gingen vroeg naar bed en op de tweede dag stapten we in vier uur via honderden trapjes naar saddle hut op 3500 meter.
Deze keer was ik in topvorm en reed ik mijn vrienden los.

Om de hoogte op een gezonde manier te verteren, had John het plan opgevat om ons in de namiddag Little Meru op te sturen, een flinke 3800 meter en een boost voor onze rode bloedcellen.
John zelf bleef wijselijk in het kamp om het avondeten klaar te maken.

Na drie minuten betrok de lucht en viel het water met bakken uit de hemel.
Na drie minuten en vijftien seconden waren we allemaal drijfnat.
We bereikten de top, zij het dat 1 persoon van ons drietal toen al liet blijken dat hij er schoon genoeg van had.
Jan was duidelijk niet naar Afrika gekomen om zich te laten natregenen...