zaterdag 30 augustus 2008

MOEDIGE MORANI

De zon ging traag onder in ons stoffige dorpje en Morani, mijn trouwe Ridge Back, en ikzelf besloten het straatleven te gaan bekijken.
We stonden voor de poort en aanschouwden als twee kasteelheren de bonte stoet voorbijgangers.
Er waren kleurrijke Maasai vrouwen met een emmer water op hun hoofd, kinderen die brandhout naar huis sleepten en kuddes geiten en schapen die in een ongeordende optocht naar hun onderkomen voor de nacht sjokten.

Uit het niets dook plots de straathond op.
Hij ging een metertje of wat bij ons vandaan zitten maar hij keurde ons geen blik waardig.
Het beest geeuwde uitgebreid.
Een pakje zware Gauloises per dag, constateerde ik toen ik de vuilgele tanden zag. Een paar glazen had ie ook al op, gezien zijn lodderige toestand.
Het was de Serge Gainsbourg onder de honden, zeg maar...
Innemend als hij wou, maar onderhuids woedde een allesverterend vuur dat enkel aan destructie dacht.

Fikkie keek ons beiden aan.
Morani bloosde en ik hield mijn ogen afgewend.
"Ik moet jullie soort niet," bromde de vlooienbak. "Kostschooljongetjes."
Hij spuwde het woord uit...
Onverschillig stond hij op en kwam een stapje dichterbij.
"Of jullie me niet gehoord hebben?" Zijn stem klonk schor en dreigend.
Morani schuifelde onhandig ter plaatse en ik bestudeerde mijn nagels.

Niemand is er tot nu toe achter hoe hondentaal in elkaar zit, maar Morani wist in een fractie van een seconde dat de aanval eraan kwam.
Het vuilbakkenras spande zijn pezige, uitgewoonde lijf en haalde uit.
Arme Morani, onervaren en niet bestand tegen zoveel bruut geweld, pareerde onhandig.
Uit een grote stofwolk klonk gegrom en gegrauw.
Het duurde nauwelijks twintig seconden.
Morani ging verslagen op zijn rug liggen en bood zijn onbeschermde keel aan ten teken van overgave.
De overwinnaar draaide zich om en hinkte traag weg.
"Van een gevecht, lang geleden, dat manken," hoorde ik hem mompelen. "Heb er altijd last van als er regen op komst is."
Hij wist zich de keizer van de straat en gunde zijn slachtoffer geen blik meer.
Morani zocht beschutting achter mijn benen en jammerde zachtjes.
We gingen terug naar binnen. Ik sloot de poort, knielde naast de verslagene en knuffelde hem zowat plat.
Morani liet me begaan met een gelukzalige glimlach op zijn snuit.
God, wat houd ik van die hond.
En dat ie een watje is, hoeven ze op straat niet te weten...

maandag 25 augustus 2008

DE PROCESSIE VAN ECHTERNACH (DEEL III)

Het was donker en de lichten werkten nog nauwelijks, het touw was ondertussen gevaarlijk kort, de zware jeep kon niet op de motor remmen en we waren in de heksenketel van Nairobi aanbeland en het was iedere keer op de tanden bijten toen een andere auto probeerde in te voegen omdat hij het touw niet zag.
Uiteindelijk werd ik tot bij Marc en Rashinda gesleept waar ik de jeep kon achterlaten terwijl er al een andere huurauto op me stond te wachten. Qua organisatie kon dat tellen.

Ik vloog uit de jeep en schoot in de andere auto. Binnen een half uur zou de familie landen en ik wilde op tijd in de luchthaven zijn.
Ik racete de parking op en nam de eerste, gereserveerde plaats naast de uitgang. Toen de bewaker me daar op wees, vertelde ik hem hooghartig dat ik deksels goed wist dat die plaats gereserveerd was...voor mij en enkel voor mij.
Het arme uniform werd op slag bleek en boog onderdanig voor me.
Ik was net op tijd aangekomen maar dat gold helaas niet voor de familie. Zij kampten met een staking in Zaventem en kwamen uiteindelijk met anderhalf uur vertraging aan.
Mama maakte zowaar een frivool danspasje en de zussen straalden.
We reden de luchthaven uit en verdwaalden gelijk.
Achteraf bleek gewoon dat we richting Arusha aan het rijden waren in plaats van Nairobi maar op een bepaald moment hadden we dat zelf door en we maakten rechtsomkeer.

Vijfhonderd meter verder reden we lek op de erbarmelijke weg.
We haalden alle bagage uit de koffer en stapelden die in de auto. Het was 1 uur 's nachts en ik wilde toevallige voorbijrijdende dieven niet op ideeen brengen. Waar we dan onszelf in veiligheid konden brengen, was nog niet geheel duidelijk...
We wrikten aan de krik, sukkelden met de beschermhoes van het wiel en plots kwamen twee engelen uit de hemel gevallen.
De auto stopte naast ons en ik wandelde er behoedzaam naar toe. De inzittenden bleken een man en een vrouw te zijn en dat stelde me gerust.
Ze richtten hun lichten op de achterkant van onze auto, de man hielp ons met het achterwiel en uiteindelijk klaarden we samen de klus in tien minuten.
Tot slot reden ze ons nog de hele weg voor tot aan ons hotel. Ze waren beiden straalbezopen maar ik was nooit gelukkiger dan toen om flink dronken mensen te ontmoeten...

DE PROCESSIE VAN ECHTERNACH (DEEL II)

....Zoals altijd in Afrika zijn er geen problemen, alleen uitgestelde oplossingen.

Het duurde niet lang of een NGO-auto van Finland stopte en ik werd naar het volgende dorpje, een goeie vijftig kilometer verder, getakeld.
De barmhartige Samaritanen vervolgden hun weg en samen met een groezelige garagist nam ik de schade op.
Het leek het veiligst de auto naar Nairobi te slepen.
Voor dat doel werd een gammele Toyota pick up opgeduikeld die duidelijk al jaren geleden zijn laatste krachten verspeeld had op de bergachtige wegen rond het godvergeten gat.
Het werd weer hilarisch toen de tientallen helpende handen vonden dat de auto's wat te dicht achter elkaar zouden rijden. Om dat euvel op te lossen werd het touw niet wat slapper of in een bocht gelegd, neen, de sleepauto werd vooruit gereden tot de gepaste afstand bereikt werd.
Uiteindelijk, nadat het hele dorp zijn zeg gedaan had en iedere hand de knopen gecontroleerd had, konden we gaan. Vijf kilometer verder stopten we voor de eerste maal. De drie kerels hadden er geen van allen aan gedacht dat een auto ook benzine nodig heeft.
We maakten nog flink wat ruzie over de hoeveelheid die moest gekocht worden - zij vonden vijf liter voor meer dan honderd kilometer met een 2000 kg zware jeep aan een touw wel voldoende, ik schatte dat we toch iets meer zouden nodig hebben -.
En daar gingen we opnieuw, het touw brak vijfmaal door de stuurmanskunsten van de chauffeur waardoor ik telkens een stukje dichter tegen het bakje van de pick up hing, het werd donker en de batterij van de jeep gaf minder en minder stroom om de achterkant van de Toyota te verlichten en tot overmaat van ramp was er een onverhard stuk van meer dan vijfentwintig kilometer, net voor Nairobi.
Geradbraakt kwam ik aan in de hoofdstad. Ik had honderdzestig kilometer achter een auto gehangen en ik moest nog een oplossing vinden om mijn familie op te halen in de luchthaven...

zondag 24 augustus 2008

DE PROCESSIE VAN ECHTERNACH (DEEL I)

Mijn lieve mama en mijn even lieve zussen kwamen dus langs.
Dat heeft u vast al in de vorige post gelezen.
Dat ze er bijna niet waren, wist u waarschijnlijk nog niet.
De start van de verder vlekkeloze reis, verliep eerder chaotisch. Het leek soms op de traditionele twee passen vooruit en eentje achteruit, maar uiteindelijk haalden we het.

Twee weken voor de memorabele aankomst van zussen en mama zag ik toevallig Pierre, een Parijzenaar die hier de processen over de genocide verslaat als journalist.
De man is uitgerust met een imposante snor en een grenzeloze sympathie voor me.
Hij was 1 van de eerste personen die ik ontmoette bij aankomst en ons contact is steeds heel hartelijk.
"Moet je luisteren", zei lieve Pierre, "mijn vrouw is voor zes weken naar Frankrijk en ik vind dat jij haar auto maar zo lang moet gebruiken."
Pierre wilde van geen vergoeding weten en verplichtte me om de jeep ook te gebruiken voor de safari.
Zijn vrijgevigheid kende geen grenzen.
Vorige dinsdag had Zakayo, de schattige nachtwaker, de Mitshubishi grondig gewassen, werd water, olie en bandenspanning gecontroleerd en vatte ik om twee uur in de namiddag de rit van vijf uur naar Nairobi aan.
De familie zou landen om half elf, dus ik had alle tijd.
Ik bereikte de grens na anderhalf uur, liet mijn paspoort afstempelen en vulde papieren in om de auto over de grens te krijgen.
De beambte volgde met argusogen mijn lange lijdensweg doorheen de formaliteiten over chassis- en motorbloknummers.
Toen mijn huiswerk af was en ik het papier trots aan de douanier overhandigde, bleek dat ik een fout gemaakt had. Rode balpen was geen kleur voor officiele papieren. Dat ik de enige klant was, dat de man me letterlijk de hele tijd op mijn vingers stond te kijken, was van geen tel.
Ik moest en zou opnieuw beginnen.
Ik vroeg nog sarcastisch of er geen probleem was dat ik linkshandig was, maar daar bestond waarschijnlijk geen wettekst voor.

De rit ging verder, Kenia binnen en Nairobi tegemoet.
Ik had alle tijd en reed aan een gezapige tachtig per uur naar mijn einddoel.
Plots begon de motor te sputteren en te haperen en dertig seconden later stond ik besluiteloos naast een rokende jeep terwijl in de verte gazelles vredig graasden.
Het water in de radiator kookte en toen ik voorzichtig de dop opende, spoot er een geiser met enorme kracht uit de motor.
Ook de olie kookte, hoorde ik nu en een minuutje later was het zover. Het uitgezette volume van de kokende vloeistof zocht een uitweg, het motorblok barstte en de olie liep uit het blok...

HOOG BEZOEK

Het is leeg in huis.
Stil.
Morani, Zakayo en ikzelf zitten er een beetje wezenloos bij.
Geen mama meer die ritselt met ontelbare plastic zakken, geen zussen die elkaar onzinnige vragen stellen over welke dier je het liefst niet zou zijn in de Serengeti.

Tien dagen is snel voorbij.
Zeker als je zo een speciaal en hoog bezoek over de vloer hebt.
Het was voor het eerst sinds heel lang dat we met zijn vieren samen waren.
Alleen ons kleine gezinnetje. Heerlijk herinneringen ophalen, elkaar met 1 woord begrijpen, absurde zinsneden bovenhalen uit een ver verleden.

Ik denk dat het onvergetelijk was voor alle vier.
Kom zo snel mogelijk maar opnieuw langs, jullie kennen de weg...

dinsdag 5 augustus 2008

DE VLUCHT UIT HET PARADIJS

Iedereen heeft hopelijk wel al eens gehoord van de Ngorongoro krater in het noorden van Tanzania. Dit lapje grond moet wellicht 1 van de meest ongerepte stukjes natuurschoon zijn ter wereld. Althans voor de hordes toeristen er langskwamen.
Ik herinner me in ieder geval een verkeersopstoppping van drie kwartier omdat iedereen de kont van een neushoorn wou zien. Dat het vage beeld tussen het struikgewas evengoed een stuk rots kon zijn, deed er niet toe. Het kuddegevoel dat de mens eigen is, zorgde ervoor dat de laatst aangekomenen niet wilden vertrekken voor ze ook een kans gekregen hadden en dat de eersten klem stonden en niet weg raakten. Hilarisch en zielig tegelijk om in een file te staan in het midden van zoveel natuurschoon.

Voor diegenen die nu met het schaamrood op de wangen aan zichzelf toegeven dat ze de krater niet kennen, even een korte beschrijving.
De naam Ngorongoro is gegeven door zijn oorspronkelijke bewoners, de Maasai. Zij zijn een volk van herders en hun koeiebellen maakten blijkbaar een soortgelijk geluid en daar dankt de krater dan weer zijn naam aan. Een onomatopee of klanknabootsing, zoals zo lekker wordt gezegd.
Het gaat hier om een uitgedoofde vulkaan met een rand van ongeveer 2000 meter hoog waar je 's nachts kan kamperen en waar het bitter koud is. De afdaling is indrukwekkend: 600 meter gaat het steil naar beneden via een smal, onverhard slingerpaadje waarbij je onder je de indrukwekkende kratervloer ziet. Een goeie twintig kilometer in diameter, herbergt dit nationaal park verschillende eco-systemen. Er is een soort woud, er zijn uitgestrekte grasvelden, er is een meer en het hele gebied is dooraderd met riviertjes.
Olifanten en buffels durven de lange weg naar boven aan, maar alle andere dieren blijven waar ze zijn. Het spreekt dan ook vanzelf dat de rit over de kratervloer 1 lange ontdekkingstocht door de fauna van Oost-Afrika is.
Verbazingwekkend ook dat de Maasai nog altijd toestemming hebben om er hun kuddes te laten grazen.

In de vorige eeuw, voor het toerisme de kop opstak en tegelijker tijd hele gebieden infecteerde door het tactloze gedrag, maar ze evengoed van de ondergang redde door de harde valuta, woonde er een Engels gezin in de krater.
Hun huis staat er nog en wordt nu gebruikt door de parkrangers.
Als de familie eens de tocht naar Arusha, in die tijd zelf een zakdoek groot, waagde, was dat een hele onderneming.
Met ezels ging het in twee dagen over de kraterrand tot in Oldeani. Daar werd overgestapt op een ossenspan en duurde het nog eens drie dagen alvorens het einddoel bereikt werd.
Daarnaast werd op geregelde tijdstippen hun veestapel gedecimeerd door hongerige leeuwen, cheeta's en hyena's en het spreekt voor zich dat de familie hun vraatzuchtige buren op een dag zo grondig beu waren, dat ze hun hele hebben en houden bij elkaar raapten en voorgoed de lange tocht naar Arusha aanvatten waar hun nakomelingen nu nog altijd leven.
Zonder het goed te beseffen gaven ze het paradijs op.
Maar dat geeft ons nu wel de kans om ervan te genieten en dat word ik nooit moe, ook al ga ik er vijftig keer...